america-thirst.reismee.nl

Veni, vidi, wegwezen

Na weer een ontbijt vol teleurstellingen in aanbod en afwerking, gaan we snel de stad in, naar Coit Tower. Dat is een mooi uitzichtpunt vanwaar je met 360 gradenkijk de stad kunt beleven.

En daarvoor is bus 39 in het leven geroepen, die start bij de Wharf, ergens. Na ons met bus 47 te hebben laten afzetten, is het even zoeken waar dit ding zich bevindt. De halte van bus 8 is snel gevonden, die van 39 staat op het kaartje op hetzelfde lijntje. En inderdaad, schuin tegenover staat er eentje. Een minibusje.

Op de halte zit een dame in een soort busuniform uitgebreid te gapen. Blijkbaar is zij haar baan op deze zondagochtend goed zat. Wanneer ze achter het stuur kruipt, rijdt ze dan ook als een bezetene met het ding rond. Benieuwd hoe haar set met SMART-gemaakte werkafspraken voor 2018 eruitziet.

Na een bochtig parcours waar ze in Monza jaloers op zouden zijn, komen we boven op een heuvel waarbij we tweeledig blij zijn. Allereerst dat deze mevrouw ons zonder brokken te maken heeft afgezet en ten tweede dat we niet hoeven te lopen.

Coit Tower, van 1934. Bij binnenkomst, mogen we in de hal een rondje om een centraal deel maken. Hierin bevinden zich de lift en de verkoopplek van kaartjes. Die kaartjes blijken stempels te zijn, die voor 8 dollar ’t stuk toegang geven tot de lift naar boven. Op de stempel staat I(hartje)SF.

De rondgang kost een half uur wachttijd, maar is geen straf. De muren staan vol met allegorische schilderingen uit de jaren 30, die symboliseren waar Californie voor staat. Arbeid is daarbij het motief.

Wanneer het rondje is volgemaakt, worden we met z’n achten ontvangen door Antonio. Die vertelt ons de huisregels (blijf met je poten van de lift af, dat is gevaarlijk) en om de tijd te doden, laat hij ons onszelf aan onszelf voorstellen, waarbij iedereen naast zijn eigen naam ook de namen van zijn voorgangers moet zeggen. Zo komen we op een rijtje uit van negen.

Later blijkt dat de suppoosten/rondleiders allen nogal lollig en jolig te doen. Ook in de lift is het lachen, gieren, brullen met de bediende. Zo kan het dus ook: lol in je werk. Het bestaat.

Het uitzicht is fenomenaal. De koffie in Little Italy ook, een klein halfuur later.

Vervolgens gaan we Columbus verder af, naar nummer 261. Daar is Lawrence Ferlinghetti in de jaren 50 een boekhandel begonnen en die bestaat nog steeds. Wie zich afvraagt wie dit is, Ferlingghetti is een dichter deel uitmakend van de beatgeneratie uit de jaren 50.

Op de eerste etage is dus ook een hele zaal daaraan gewijd, met onder andere drie verschillende versies van On the road van Jack Kerouac.

Toch ga ik zonder iets te kopen weer weg. Dat doe ik geheel tegen mijn natuur in, maar ik beperk me. De koffers zijn nu al zwaar genoeg. Ik ga in Nederland wel weer naar Selexyz (sic).

We lopen door en raken verward in het financiele district, op zoek naar Union Square. Omdat het zondag is, wordt consumenten geen poot uitgedraaid en zien we geen stropdaspakken rondlopen. Het is er stil en aangenaam; de banken zijn dicht.

Wel is er een hipkoffietent open, en we bestellen er een sapje, een espresso en een broodje en nemen dit tot ons onder de zalvende tonen van hippe niksmuziek.

Nee, dan de Japanse trommelaars op Union Square. Die rammen er lustig op los met hun dikke stokken op grote drums. Dansje erbij en je hebt een cultureel middagje dat pas na 10 minuten kijken gaat vervelen.

Op naar de ‘painted ladies’. Dat is een rijtje Victoriaanse huizen in drie kleuren geschilderd op Alamo Square. Dit soort ladies kom je veel vaker tegen, maar dit zijn de beroemdste. Foto gemaakt en van de berg geblazen en door naar Haight/Ashbury, de broedplaats van het hippiedom.

Op dit kruispunt vonden Hendrix, Janis Joplin, Jefferson Airplane en The Grateful Dead elkaar in 1967, tezamen met vele andere hippies die daar hun zomer beleefden. Dat is nog wel te zien, er lopen veel vage figuren rond. En precies op de hoek van Haight en Ashbury zit een Ben en Jerry’s ijswinkel, wat ik een goed idee vind. Dus ik neem een ijs en reken er acht en halve dollar voor af. Ik doneer wat in de fooienpot en als dank luidt het personeel een koebel. Mooi gebaar.

Omdat we teruggaan naar het hotel, gaan we naar de bus. Maar we willen een andere route om nog wat van de stad te zien. De 43 wordt uitverkoren. Als we die lang genoeg volgen, kruist ‘ie Union en daar nemen we dan de 45 naar ons hotel.

Dat is het idee.

De uitvoering is anders, Union wordt niet aangedaan, maar wel de Presidio. Dat was niet de bedoeling. Dus om niet nog verder te verdwalen, stappen we uit en kijken we rond.

Een idee waar we zijn.

Tot ik een busdienstaankondigingsbordje zie van Presidio-Downtown. Die moeten we hebben, vind ik. Over drie minuten komt ‘ie en we zien wel wat Downtown betekent.

Dat betekent geheel tegen de verwaching in dat we recht tegenover ons hotel worden afgezet. Wat wil het toeval? Dat deze bus op weg naar Downtown een halte kent: Van Ness/Union Street. En dat is precies de halte die we vanuit het hotel kunnen zien.

Hoeveel mazzel kun je hebben?

Dus voor we het weten zijn we weer in het hotel, zijn we ingecheckt voor het vliegtuig en hebben we een shuttle van hotel naar vliegveld. Nu alleen nog eten, slapen, inpakken en dan naar huis.

Dat eten doen we in Little Italy. Daarvoor hoeven we alleen Union Street af, die direct aan ons hotel ligt. Een complicatie, de weg gaat over een forse heuvel heen. Maar daarvoor is dus bus 45 in het leven geroepen. Die rijdt ons er geruisloos overheen, iets wat je aan een trolleybus wel kunt overlaten.

Onderweg hebben we mooi zicht op de enorme steile heuvel, die van alle kanten even steil is. Zijstraten gaan loodrecht naar beneden. Terzijde staan auto’s naar beneden geparkeerd met alle hun voorwielen naar de stoep geparkeerd, of naar boven en dan de wielen van de stoep af. Mooi.

De Italiaan is prima, maar duur en dus gaan we na afloop maar snel weer terug de berg over en zijn we half tien weer in kamer 435.

Laatste nacht, morgen vliegen, dinsdag thuis.

Boven en onder de markt

Het ontbijt is onbehoorlijk matig: slappe koffie, smakeloze jus, zoete yoghurt, door warmhoudlampen hard geworden croissants en het ontbreken van vleeswaren en kaas. Dat in de notendop, is het gratis ontbijt.

Na de domper, gaan we direct weer in de plusmodus. We gaan naar MOMA SF, ofwel het Museum of Modern Art. Fijn met onze vaste bus (47) over de Van Ness naar Market, waar we op zo’n fijne PCC-tram uit de jaren 40 stappen, langs Powell en dan uitstappen voor MOMA.

Na weken van kunstwerken die door spelingen in de natuur zijn gemaakt, willen we nu eens kunst zien die door de mens is veroorzaakt.

Maar eerst koffie, echte koffie gemaakt van verse espresso die dan ook na bestellen lang op zich laat wachten. Hoort ook zo. Tegenover de koffiebar, zit de entree van MOMA en daar worden we vergast op de aanwezigheidsmeldingsposter van de tentoonstelling van Edvard Munch. Nu heb ik zo’n beetje al zijn werk in Oslo en in Amsterdam (op doorreis) al gezien, maar van zoveel deprimerend olie-op-canvaswerk kun je nooit genoeg krijgen.

Voordat we naar binnen gingen, hadden we al afgesproken dat we niet nogmaals 50 dollar per persoon betalen voor een museum. Het worden er 33. Maar dan krijg je ook veel goeds. Zalen vol Munchs, Warhols, Soll Lewitts, Alexander Calders, Roy Lichtensteins en ga zo maar door.

Maar wat ontbreekt, is de Schreeuw van Munch. Er zijn er drie, maar hier in Amerika hebben ze er blijkbaar niet eentje kunnen bemachtigen. Pure pech. Ik heb er zelf al twee van de drie gezien, dus ik vind het niet heel erg. Maar voor al die honderden die rondlopen op zoek naar, vind ik het toch wel wat sneu.

Nadien gaan we nog even naar het Railway Museum – je blijft ook tijdens de vakantie met je werk bezig of je doet het niet. De tegenvaller is gelegen in het feit dat er maar een zaal is, maar wat er hangt en uitgelegd wordt, is prima. Voor Mariella wel zo prettig, want die dreigde al met ‘een museum per dag!’

Als we daarna kort hebben geluncht, gaan we terug naar het hotel om ons voor te bereiden op het avondgebeuren. Dat betekent een korte retraite met een krachtslaapje van krap een half uur.

Snel stappen we weer in de 47 om deze nu te nemen naar het eindpunt, en dat is gelegen onder de Market.

Market kun je zien als een duidelijke scheiding in de stad. In het MOMA had ik al een fotoboek zien liggen ‘South of Market’ en dit doorgebladerd en gezien dat het eronder een woestenij is. Pure armoe wordt alleen nog maar afgewisseld met kansarmheid. Het is een plek die met de bus nog wel te bezoeken is, maar waar je niet vrolijk van wordt. Te voet wil je hier echt niet doorheen.

We zien tenten langs de weg, we zien samenscholingen van zwervers om een schamel bezit, we zien rijen voor een nu nog dicht pand staan; duidelijk een opvangplek. Tussen al deze treurigheid, rijdt het verkeer gewoon door, staan hier en daar winkels en eindigen we op een brede avenue die er weer gelikt uitziet. Dit is de weg naar het AT&T-stadion.

Hebbers en niet-hebbers, kansrijken en kansarmen die afglijden naar niet-hebben. Dat is een beetje wat je ziet in zo’n grote stad. De hele dag zijn we geconfronteerd met daklozen, mensen die duidelijk de weg kwijt zijn en andere hulpbehoevenden. En je ziet heel duidelijk die scheiding, die het gebrek aan solidariteit met zich meebrengt. Niet dat de stad afglijdt, want het beeld dat ik van Amerikaanse steden had, is alleen maar bevestigd. En dat is van alle tijden. In de jaren 70 en 80 was het niet anders. Maar om een of andere reden stemt de aanblik van zoveel reddeloosheid tot treurnis.

En als je dan 33 dollar betaalt om wat kunst te zien... Nou ja, we doen het.

Het geeft een beeld van een maatschappij die volstrekt individueel is en het geeft een beeld van de Amerikaan als een raar individu. Dat beeld hadden we al, want als je ze op een camping ziet, is het eerste wat ze doen vuur maken en dan pas zetten ze hun tent op. Of als ze dat niet doen, slapen ze gewoon in hun vierdeursauto. Het is natuurlijk ook het volk dat gelooft in jacht, in wapens en in zelfverdediging. En het is het volk dat zelfs voor het naar de plee gaan op een camping de auto pakt. De auto is heilig en dient elk doel; als je maar kan rijden.

Geen Bush, Obama of Trump die daar wat aan kan veranderen.

En daarom bestaat er dus een land waar zoveel verschil is tussen arm en rijk. Tussen espresso van vijf dollar en het verzamelen van lege blikjes die je in een vuilniszak achter je aansleept.

In het AT&T-stadion spelen vanavond de San Francisco Giants tegen de Arizona Diamondbacks. Dat is honkbal en samen met 37.000 andere bezoekers kijken wij na 1 inning al tegen een achterstand aan van 0-2. Wij dat zijn wij en zij komen uit Phoenix.

In de 17 innings die erna nog worden gespeeld, wordt geen enkele keer gescoord en het blijft dus 0-2. Ook na twee-en-half uur gooien, rennen en tegen ballen slaan.

Na afloop gaan wij allen weer ons weegs en dat betekent voor ons de 47 oppikken bij het Caltrain station. Het is inmiddels avond en dan weten we al dat de bijzondere figuren de bus in- en uitlopen, veelal zonder de moeite te nemen om tot betaling over te gaan. Geen buschauffeur die daar om maalt, die rijdt gewoon van halte naar halte en doet verder niet moeilijk.

Na een paar haltes stappen er drie jongelingen met een skateboard en een pitbull in met duidelijke interesse in het roken van weed. Die lucht namelijk hangt dusdanig pregnant om hen heen, dat we in de bus hier plakjes van kunnen snijden. Gedrieen nemen ze plaats op een driezits en ze zijn de vijf haltes dat ze meerijden continu bezig met van alles en nog wat, onder andere het corrigeren en onderhouden van de hond. Wanneer ze uitstappen, nemen ze hun troebele blik, drie planken, hond en muziek van de Pet Shop Boys mee en ik denk dat het niet lang meer duurt tot ze definitief onder de markt verdwijnen.

Of moet ik zeggen onder de Market?

Camperafsluiting

De laatste dag op de laatste camping breekt aan. We zitten middenin de natuur, maar zijn toch nauwelijks ver weg van San Francisco. Tussen ons en de stad van eeuwigdurend hippiedom, liggen slechts Oakland – inclusief internationale luchthaven – en de baai. Morgen rijden we de laatste twintig, vijfentwintig mijl naar de camperverhuurder en dan zijn we verlost van de Ford waar we 30 dagen in hebben gebivakkeerd.

Wanneer ik naar het wifipunt loop, waar ook de campernachten kunnen worden verlengd, moet ik een stevige heuvel af en weer eentje op, dan nog een bultje en dan nog een bocht. De bocht van de Ratelslang. Al met al een kwartier stevig doorstappen. Beetje het gevoel van jaren 90-internet, toen je nog moest inbellen en vooral geduld moest hebben.

Aangekomen bij de receptie, duid ik in mijn beste Engels aan dat ik ons verblijf wil verlengen. De toevoeging na de ja, is of ik ‘Dutch’ ben. Enigszins verbouwereerd over het gemak waarmee ik met mijn middelbareschool-Engels, gelardeerd met jarenlang tv-kijken en een college dat ik in het Engels gaf aan de TU Delft door de mand val, moet ik bekennen dat het zo is. ‘Me too,’ antwoordt de mevrouw aan de andere kant van het loket.

Het blijkt dat ze – afkomstig uit Utrecht – in 1963 is geemigreerd. Eerst naar Banff in Canada, daarna naar de regio San Francisco. Haar Nederlands – dat ze nog steeds uitermate goed beheerst – heeft ze op peil gehouden door met Nederlanders haar moedertaal te blijven spreken. Schrijven is lastiger. Ik vertel haar dat we sedert ’63 aardig wat spellinghervormingen hebben gehad en dat verdriet haar. Mij ook trouwens.

De rest van de dag wordt in ledigheid omgebracht. We regelen een hotel aan de Van Ness in downtown San Francisco en we ruimen de bus uit. Mariella wil de aardappels opmaken en daartoe wil ze frituren. Dat kan en dat mag, maar dat leidt wel tot commotie. Allereerst gaan de servetten waarop ze de voorgebakken friet legt in vlammen op (iets te dicht bij het fornuis gehouden), daarna gaat het CO-alarm af. Koolmonoxide, dat is slecht nieuws. En het geluid wil niet meer stoppen Elke 30 seconden een vrij harde piep. Nu hadden we in Bodega Bay de misthoorn gehad, dus we zijn wat gewend, maar dit komt wel erg dichtbij.

Wat we ook doen, het geluid gaat niet uit.

Ik krijg het lumineuze idee om de bus te starten en te gaan rijden, om zo de lucht in de bus te klaren. Lumineus, want het werkt. Nog twee a drie piepen en we zijn schoon.

Maar dan zijn de frieten pas voorgebakken, en moeten ze nog voor het echie. Zelfde procedure: frieten bakken, piepsysteem af laten gaan en rijden maar. Helaas kost het nu een ruim rondje camping om hete alarm stil te krijgen. Klaarblijkelijk is frituren iets anders dan voorfrituren.

Nu we klaar zijn met de campings, kunnen we een lijst maken met waar we hebben gestaan en dit kwalificeren.

  • Lake Meade – 1 nacht – mooi gelegen, redelijk sanitair, prima algemene indruk – een 7
  • Zion – 2 nachten – zeer centraal bij het bezoekerscentrum en de uitvalweg van Zion gelegen, wel druk, geen douches, weinig plees – een 6,5
  • Ogden – 1 nacht – prima onderwegcamping, aardig sanitair, zwembadje – een 6,5
  • Yellowstone – 4 nachten– prachtig gelegen, ruime plekken, wel rare bochten langs de weg waar je moet staan en alle voorzieningen zijn op afstand, waarbij je een knipkaart hebt voor de douches, geen Wifi, geen bereik met telefoon – een 8,5
  • Flaming Gorge - 1 nacht – mazzeltje om te vinden, veel hertjes, geen douche – een 7
  • Dinosaur – 1 nacht - mooi gelegen, inclusief lezing, geen douches – een 7,5
  • Moab – 2 nachten – aan drukke weg, rurale plekken, prima sanitair, goed zwembad – een 7,5
  • Bluff – 1 nacht – uitbater is de weg kwijt, prima sanitair, nul sfeer – een 6
  • Hanksville – 1 nacht – Beetje zoals de vorige – een 6
  • Torrey – 2 nachten - mooie plek, aardige beheerder, veel zelf gedaan, veel aandacht – een 7,5
  • Bryce – 2 nachten – ruraal, aardige plekken, geen faciliteiten – een 7
  • Grand Canyon – 1 nacht – basis, prima, matig sanitair – een 7
  • Grand Canyon – 1 nacht - basis, prima, geen sanitair gezien (camper gebruikt) – een 7
  • Bakersfield – 1 nacht – enorme camping, enorm leeg, mooi georganiseerd, sfeerloos, zwembad – een 6,5
  • Monterey – 1 nacht – middenin de stad, maar dan heb je ook alles gezegd – een 6
  • Bodega Bay - 2 nachten – aardige mensen, mooi parkje, veel aandacht, wel sfeerloos – een 7
  • Doran Beach – 1 nacht – mooie plekken, zwaar verouderde sanitair – een 6,5
  • China Camp – 1 nacht – parkeerplaats, nul faciliteiten – een 5
  • Chabot Campground – 2 nachten – prachtig gelegen, mooiste plekken tot nog toe, gedateerde faciliteiten, ver lopen naar de wifi – een 8

Tsja, dan wint toch uiteindelijk de plek en doen de faciliteiten iets minder ter zake, we hebben namelijk als winnaar Yellowstone, als tweede Chabot Campground en als derde Dinosaur en Torrey.

Terechte winaar? Ontdek het zelf.

De nacht wordt wreed verstoord wanneer er tot twee keer toe weer een CO-alarm afgaat. Ondanks dat alle ramen open staan en we bijna weggeblazen worden met frisse lucht vol zuurstof. Mariella slaapt stevig, maar ik ben klaarwakker. Omdat de piep nogal hard is, ga ik zowel om half tien, als om elf uur een rondje rijden om het stil te krijgen, terwijl Mariella gewoon nog in bed ligt.

Maar die nacht slaap ik niet meer prettig. Allereerst ben ik alert op het opnieuw afgaan van het alarm, maar daarnaast ben ik ook alert op de frisse lucht in de bus om een mogelijk drama te voorkomen. De rest van de nacht is het stil, maar ik sta gebroken op. Heb ruim tien uur in bed gelegen en nog niet eens de helft ervan geslapen, en zeker niet diep en/of vast.

Maar goed, we gaan de bus inleveren. Weliswaar een dag te vroeg, maar we willen naar San Francisco. Ondanks alle door ons ervaren gebreken, wordt de bus zonder commentaar ingenomen in Hayward-Zuid, dat moet doorgaan voor San Francisco (want dat klinkt beter) en na bijbetalen van 43 cent maal een kleine 900 mijl vanwegen het overschrijden, worden we afgezet op het station. In een maand tijd hebben we dus 4.500 mijl gereden. Doe dat maar eens maal 1,6 en je weet hoeveel kilometers.

We nemen de trein van Hayward-Zuid naar San Francisco en dat kost een uur en 5,30 dollar per persoon. Een schijntje, want de taxi had 150 dollar gekost, volgens de Zwiterse mevrouw van de receptie van Best Time RV.

Aangekomen op Powell Centraal, staan we middenin de stad. En we voelen ons wat verloren zonder bus, maar met zeven stuks bagage. We hebben zoveel zooi, dat een van de koffers op de achterbank van de taxi moet en ik naast de Koreaanse manke taxichauffeur plaatsneem. Vijftien euro later staan we op in de lobby van het hotel en een kwartier later onder de douche in onze kamer. Ondanks dat het pas 12 uur in de middag is.

Daarna gaan we naar Fisherman’s Wharf en de toerist uithangen. Boottochtje naar de Golden Gatebrug, Pier 39 op en af, Cable Car rijden. En zeeleeuwen kijken. Mooi schouwspel hoe een paar alfamannnetjes met elkaar bekvechten en proberen de baas te spelen op de 10 vierkante meter vlonder waar ze zich op bevinden. Beetje een werkvloer waar je ziet dat mensen met ambitie gekke dingen doen, terwijl je ook relaxt op een vlonder kan gaan liggen drogen in de zon zoals de meeste andere leeuwtjes. Niks ambitie, niks de beste of grootste zijn, maar gewoon doen waartoe je op aard bent: beetje hangen en droog worden na een zwempartijtje. Af en toe een harinkje en verder niks.

We gaan met de cable car naar Union Square en terug via een andere route met oude trams uit de PCC-tijd, die hier een tweede leven leiden. Beetje wat in Den Haag rondreed van 1949 tot begin jaren 80. Jeugdsentiment, morgen naar het museum.

Na het eten op de werf, gaan we met bus 47 terug naar het hotel. Hoe later op de avond (half negen) hoe gekker het volk. In de bus neemt een zwerver plaats die heeft gesoebat voor een gratis plek, stapt iemand in die een t-shirt draagt, maar de mouwen niet gebruikt waar ze voor zijn, zijn armen zitten namelijk aan de binnenkant van het shirt, iemand anders die ons van zijn handklap-gesprokenwoordmuziek deelgenoot maakt en iemand die een vuilniszak vol blikjes meezeult.

 Kortom hoog tijd om kamer 435 op het nachtslot te doen.

Oog van de naald

We worden gewekt doordat er steeds meer auto’s op onze parkeerplaats parkeren. Dat is natuurlijk hun goed recht omdat parkeren de core business is van de plek waar wij de hele nacht hebben doorgebracht. We zijn een beetje een vreemde eend in de bijt; we hebben geen hond, zijn geen wandelaar of jogger, maar worden pas net wakker.

De nacht was er een vol krekels en een klein uitstapje naar ander wild. Achterop onze bumper staan pootafdrukken die te fors zijn voor chipmunks of eekhoorns, maar die we niet kunnen thuisbrengen. Mariella vraagt het aan iemand die er even lokaal als geinformeerd uitziet. De mevrouw geeft als stellig antwoord: ‘Definately a racoon,’ een wasbeer dus. Die moet door de dakopeningen de tijgerbol hebben kunnen ruiken en willen hebben, maar het gaas op de openingen voorkwam zijn snode plan. Onverrichter zake moet hij rechtsomkeert hebben gemaakt.

Wanneer alle wandelaars, joggers en ander gespuis hun auto’s hebben achtergelaten, kunnen wij vanaf onze ontbijtstoeltjes nog een kudde herten gadeslaan, die een meter of 20 verderop staan te grazen. We houden het niet lang vol, maar dat komt door de wespen. Flux keren we terug naar binnen om de rest van het maal tot ons te nemen.

En dan gaan we er weer vandoor, op weg naar de laatste camping, waarna we de balans zullen kunnen opmaken voor de top3 van campings in Utah en omstreken. De uitslag volgt morgen maar om alvast iets prijs te geven, de camping op China Camp staat er niet in. Daarvoor is de nacht op de parking in combinatie met de Dixies voor de hoge nood en het ontbreken van douches te mager.

We rijden om het hele Chinese kamp heen en komen in de buitenwijken van San Rafael weer de stad in. Heel rot wonen is het hier niet, groen, heuvelig, aangeharkt. Jammer alleen van het weer – vaak mist, miezer en andere nattigheid. Zo ook vandaag.

We halen bij de Whole Food wifi op en een hele verzameling spiesjes voor op de barbecue. Het vooruitzicht van zoveel met zorg gekneed en geregen vlees, doet ons popelen. Dat zal echter nog even moeten wachten, het is 11 uur in de ochtend.

De weg van San Rafael, over de Golden Gatebaai naar Anthony Chabot Regional Park, waar we komende nachten vertoeven, is best pittig. Voor de kaartlezer evenzo als voor de chauffeur. Zes banen heen, zes banen terug, veel afslagen, fly overs en linkse uitvoegen, maken het niet gemakkelijk. Toch rijden we miraculeus in een keer goed, zij het dat we op de Redwood per ongeluk aan het einde een afslag nemen die niet moest. Deze omissie werd binnen 200 meter hersteld.

Dan is het nog 6,5 mijl een kloof in naar de camping over een set smalle, bochtige wegen en wanneer we het bord camping zien, staat er dat het vanaf hier nog ruim 2 mijl is naar de echte camping. Nu maar hopen dat er plek is.

En dat gaat zonder haperen goed – voor we het weten staan we. Wie nu denkt dat we weer diep weggestopt zijn in een woud; we zijn parallel aan de snelweg door de kloof gereden en hemelsbreed zijn we wellicht niet meer dan een mijl verwijderd van de eerste woonflat aan de San Franciscobaai.

We hebben hier zelfs wifi, al moet ik daar vanaf onze standplaats een kwartier voor lopen. Omdat ik wil weten met welke score Feyenoord heeft verloren in de Champions League, ga ik naar het kantoor van de rangers, waar de wifi onder de naam Parkguest en het intoetsen van het wachtwoord 12345 plost tot leven komt.

Wanneer ik terugloop naar de camper, over de asfalten weg, zie ik plots vanuit een ooghoek iets bewegen. Als ik kijk, zie ik dat ik op een kleine meter afstand van een joekel van een ratelslang sta, die zich opricht en van zich af wil bijten (foto’s op Instagram en Facebook). Omdat ik weet dat dit soort slangen giftig is, ben ik op enorm op mijn hoede. Ik observeer en fotografeer met m’n iPhone de slang en zie een complicatie: hij houdt stil midden op de weg en wil er niet af. Als ik nu doorloop, is hij binnen 10 minuten hartstikke platgereden door een auto, en dat mag absoluut niet gebeuren. Ik blijf dus wachten op hulp. Ik bel Mariella via Nederland op haar mobiel en zij komt er met de echte camera aan. Ze vindt het beest behoorlijk spannend en gaat naar de rangers, terwijl ik de weg vrij houd. Inmiddels zijn er al 5 auto’s langsgekomen, dus mijn werk is niet voor niets.

Als de rangers arriveren, zijn ze behoorlijk onder de indruk. Niet alleen is het een enorme ratelslang, ook is hij nog eens bovenmatig agressief. Eigenlijk horen ze volgens de rangers hier helemaal niet voor te komen, omdat het hier te nat en te koud is. Vandaar zijn tocht naar het asfalt. Slechts twee tot drie keer per jaar komen ze een ratelslang tegen.

Ze bedanken mij voor mijn oplettendheid en vastberadenheid om het beestje te redden. Ik heb al met al ongeveer een uur hier op de weg gestaan om het platwalsen te voorkomen en nu is het aan de professionals om het beest te vangen.

Ik loop terug naar de camper en vind dat ik een biertje heb verdiend. Ik wel, de voetballers van Feyenoord niet: 0-4.

Zonder baken

Als je de sequoia’s hebt gezien, denk je dat je er wel bent. Niet dus. Er zijn bomen die zeker evenveel, of wellicht nog wel meer indruk maken. Dat zijn de Redwood pines; dennen van grote omvang en vooral hoogte.

In Redwood State Park, in Guerneville op de 116 middenin het stadje linksaf, staan joekels. Het is slechts een staatspark, maar we hebben unaniem besloten dat dit het predicaat nationaal verdient. Er is een complicatie in de zin dat er in het noorden, vlak bij Oregon, al een staatspark is gewijd aan deze knoeperds, maar dat vinden wij geen probleem. Ter plekke besluiten we dat dit een staatsaangelegenheid van de hoogste orde betreft.

Hierdoor komt het aantal door ons bezochte parken van de hoogste orde op 15: Lake Mead, Zion, Yellowstone, Grand Teton, Dinosaur, Arches, Canyonland, Monument Valley, Natural Bridges, Capitol Reef, Bryce, Grand Canyon, Sequoia, King’s Canyon en deze.

Deze was gratis, mits te voet het betaalhok gepasseerd. Per auto is het acht dollar per inzittend hoofd. Wij wilden al lopen en werden hiervoor passend beloond.

Direct achter de poort gaat het al los met de bomen, de ene is nog hoger dan de ander en geen doet qua dikte voor elkaar onder. Sommige bomen zijn gebaseerd op een soort van oerboom, een dikke stam waar andere bomen uitgroeien, waarbij wij het record op 10 nieuwe bomen (en twee dode) stellen. Dat geeft ongeveer weer hoe dik de stammen zijn.

Als er veel bomen in een bos staan, zijn er altijd een aantal die extraspeciaal zijn. Zo ook hier: een ervan heeft pegels, dat zijn naar beneden groeiende uitsteeksels. Redelijk uniek. Twee andere doen een wedstrijd wie er het hoogste is; de een is 100 meter en de andere 103. Schijnt dat de allerhoogste Redwood pine de 150 meter haalt. Dat is de hoogte van de Kathedraal van Keulen, of om het iets dichter bij huis te houden: het Strijkijzer naast station Hollands Spoor in Den Haag.

Van al dit moois krijg je honger en dan is het goed als er een champagneboer in de buurt is. Korbel hadden we gisteren al bezocht, maar nog niet de afdeling delicatessen. En die is behoorlijk. Ik neem een broodje Italiaanse vleeswaren en Mariella een broodje uit elkaar getrokken zwijn. Het broodje dat ik uitkies, doet me sterk vermoeden dat het tijgerbrood is, maar het wordt mij aangeduid als Dutch bread. Nu aan, tijgerbrood dus. En een partij lekker.

Met echte espresso werk ik het geheel weg, terwijl Mariella om half drie lekker aan de champagne zit. Nu kunnen we al weken nauwelijks goede koffie krijgen, behalve in Grand Canyon en omstreken waar het twee keer achter elkaar raak was, en nu dus weer. Bij Korbel en vanochtend al in een openluchtmuseum in Duncan Mills. Daar stonden ook vier treinwagons uit rond 1900 die in de jaren 80 gerestaureerd waren en mijn spoorwegkennersoog merkte op dat het de hoogste tijd is voor een nieuwe restauratie. De verf van de houten wagons spatte er alleen al bij het kijken ernaar er vanaf.

Na Korbel, gaan we op zoek naar een kampeerplaats. De afgelopen dagen ging dat bijzonder moeilijk, dus doen we dit nu met iets meer tijd en precisie. Met overigens hetzelfde resultaat, namelijk nul op het rekest.

Wanneer we in Glen Ellen hopen op positief nieuws op het slaapfront, kijken drie cassieres in de supermarkt elkaar vragend aan. ‘Een RV-park in de buurt? Geen idee...’ Heel jammer, maar toevallig wel de mooiste supermarkt die ik ooit heb gezien. Nog nooit zulke mooi opgemaakte versafdelingen en de paden met houdbaar zijn zo mogelijk nog aantrekkelijker. Ik overweeg emigratie naar dit stadje.

Edoch, we moeten door op onze zoektocht. Dan maar naar Sonoma, daar hebben we tenminste een adres van een RV-park: Arnold Drive nummer 29355. We starten op 20000 en moeten dus nog een eindje. Na 5 mijl is het nog steeds de Arnold Drive en nog steeds niet het juiste nummer. De ervaren volger van America Thirst weet inmiddels al hoe dit zal aflopen. Na het circuit – waarnaar het RV-kamp is vernoemd – splitst de weg in ‘naar San Francisco’ en ‘naar Valejo’. Van Arnold niks meer te zien en op de andere rijbaan staat een dikke file. Dus wij door richting San F., al willen we daar helemaal niet heen.

Op een parking maken we een noodplan, we zullen naar de 101 rijden en weer noordwaarts gaan en het daar proberen in Rohnert Park. Wanneer we een stukje rijden, zie ik een plaatje van een caravan en we buigen af. Vervolgens zien we niks meer en gaan we aan een garagist maar eens even opheldering vragen. Nee, geen camping. Wel eentje in San Rafael, genaamd China Camp.

Meer dan een stadsnaam hebben we niet. Alhoewel op de niet zo gedetailleerde kaart wel het park staat aangeduid. Op de gok rijden we er bij een van de zes afslagen af en rijden – nog steeds op de gok – naar een kruising waar de goklust opraakt. We vragen bij een benzinestation om kaarten van de regio, maar de enige kaart die hij heeft staat al zolang in het rekje, dat het een amorf ding is geworden dat nooit meer schadevrij zal kunnen worden uitgevouwen.

We verzuchten de vraag of de pombediende wellicht China Camp kent. ‘You don’t need a map for that!’ Mooi, we zaten dus echt goed. Op de kruising die we hadden uitgekozen en waar ons geluk op was, hadden we alleen maar naar links gehoeven en dat helemaal moeten uitrijden. Waren we er vanzelf gekomen.

De rest is een eitje, behalve dan dat er geen campers op de camping passen. We mogen wel een nachtje op de parkeerplaats staan. Maakt ons het uit, allang blij dat we wat hebben.

Bovendien hier geen misthoorn. Wel het constante getjirp van krekels, dus van stilte is nog steeds geen sprake. Wel van extreem donker. Wij zijn de enigen die licht maken.

En dat gaat zodirect lekker uit.

Lastig parket

Amerikanen maken het zichzelf graag lastig. Dat doen ze in de internationale politiek, in de interne regulering - met alle wetten en voorschriften - en dat doen ze in de openbare ruimte. Of het nu gaat om het aanleggen van wegen waar dat absoluut onhandig is en waar je met een auto – laat staan een camper, bus of vrachtwagen – nauwelijks kunt bochten en gasgeven, of waar ze wonen, ze maken het zichzelf volstrekt onmogelijk.

Neem nu de 116, een weg die van Sebastopol naar het noorden loopt. Als we die nemen, zie ik als chauffeur alleen maar bochten en smalle weggedeelten door een kloof. Links en rechts gaan de heuvels steil omhoog. En tegen die steilte, zijn houten huizen gebouwd, tussen eeuwenoude bomen en met oprijlanen die praktisch onneembaar zijn naar garages die praktisch onbereikbaar zijn.

Langs de kust is het niet anders. Wij rijden al een paar dagen heen en weer op de 1, in de buurt van Bodega Bay en zien huizen op afgronden staan waarvan je alleen maar kunt hopen dat er niet nog meer afbrokkelt, voordat het de opstallen in zee flikkeren. Ook hier uitritten en oprijdstraatjes die volstrekt onneembaar zijn met iets anders dan een eenwieler.

Maar als ik dit zo allemaal begrijp, zie ik wel waarom Frank Lloyd Wright ooit Fallingwater is gaan maken; een huis op een plek waar dat onbegrijpelijk is. Jammer alleen dat de gemiddelde Amerikaan niet in een FLW woont, maar in een huis dat door architecten is ontworpen die beter iets anders hadden kunnen gaan doen.

Bodega Bay, het klinkt als drank en het is drank. Deze ochtend starten we bij het toeristeninformatiecentrum bij een mevrouw die ons dankt voor ons geduld. Wij zeggen dat we tijd genoeg hebben omdat het vakantie is. En dat is ook zo, we hebben alle tijd want de perioden van afstanden rijden, liggen alweer een ruime week achter ons. Kalm aan is het credo.

We vragen aan de mevrouw of ze ons kan helpen aan een goede wijnroute. En ja, dat kan ze wel. Terug naar de 12, naar Sebastopol en van daaraf naar het noorden, naar Korbel, de champagnemaker. Dat is een van de minstens drie parallelle routes van wijn, wijn en wijn.

Maar, bezweert ze ons, we moeten eerst naar Bodega (niet Bay), want daar staat een kerkje en daarachter staat een school (zie instagram en facebook voor foto’s) en die speelt een rol in The birds van Alfred Hitchcock, een film uit om en na bij 1962. Die film is ook deels in Bodega (wel) Bay opgenomen en we zitten dus weer eens middenin de cinematografie. Weer eentje om thuis te herzien.

Het kerkje is heel mooi in zwartwit op de plaat gezet door de beroemde fotograaf Ansel Adams en ik waag me aan een foto op exact dezelfde plek. Als je de mijne ziet in vergelijking met Adams’, weet je waarom hij beroemd is en ik niet.

Wanneer we doorrijden, komen we vanzelf in Sebastopol, daar hoeven we niks geks voor te doen, gewoon de weg afrijden. In het stadje is het net pauze en dan gaat iedereen rijden of – in het geval van schoolkinderen – lopen. Als we inkopen hebben gedaan bij de Sainsbury’s, wil ik met de bus het parkeerterrein af en de rijbaan aan de overkant hebben, naar links. Rechts van mij is het rood geworden en dan zou je verwachten dat de Amerikanen zo’n bus als de onze ruimte zou geven. Of je nu op mij wacht of op het rode licht, is om het even. Nee dus. Na twee auto’s ben ik het zat en gooi ik m’n bus er gewoon voor, en ja, dan stoppen ze dus wel.

Wij door.

Rechts en links zien we de wijnranken in het veld staan die hun vruchten reeds hebben afgestaan. We besluiten een proeverij te proberen en stuiten op Dutton Estates, een kleine wijnboer met een grootse proeverij. De bijzonder aardige en kundige proefgever informeert ons, inspireert ons en laaft ons. Mariella neemt gulzige slokken. Ik nip wat, want ik heb de autosleutels in beheer.

We tikken 15 dollar af voor vier beetjes wijn, wat cider een rose en twee koekjes en gaan weer verder. Inmiddels is het bijna 30 graden en perfect weer voor champagne, vinden we. Dus we rijden door over de 116 tot we bij de Russian River komen. Van enige naijver in benaming is hier bijzonder weinig te bespeuren. Daar op rechts, staan niet alleen erg hoge red pines - een boomsoort die in het gunstigste geval redelijk kan wedijveren met de sequoia, als het gaat om hoogte (niet dikte) – maar ook de kelders van Korbel.

Er wordt hier in het wijngebied wat schimmig gedaan over de champagne. Op de fles staat keurig dat de methode is gebruikt die de naamgever van dit bruisend wijngoed zo bekend heeft gemaakt in de wereld, maar wat alleen op flessen mag staan die hier ook vandaan komen. Maar in het spraakgebruik heeft met het continu alleen over champagne en niet de methode.

Om de proef op de som te nemen – we waren niet voor niets een jaar geleden in het echte Franse gebied – bestellen we een glaasje en daarna een fles. Het glaasje is van de goedkope variant, de fles de dure. Eigenlijk wilden we die proeven, maar dat was alleen mogelijk voor leden van de club. Dat zijn we niet en omdat we uit Europa komen, worden we het niet. Een van de voordelen van lid zijn van de club, is dat je drie keer per jaar mag komen proeven. Nou, dan gaan we wel met de auto naar Reims.

Na de champagne of wat er voor door moet gaan, rijden we het hele stuk langs de kust terug, weer een mijl of 40 en lunchen we op dezelfde plek als gisteren; de oesters waren er onverslaanbaar en dat zijn ze vandaag ook.

Slapen doen we 3 mijl verderop dan waar we gisteren stonden. Afgelopen zaterdag was Doran nog hartstikke vol, vandaag is het maandag en zijn we van harte welkom.

Bijkomend voordeel? We zitten nog dichter bij de misthoorn dan de afgelopen twee dagen. Mariella heeft het eilandje waar hij staat weten te detecteren en morgen bij daglicht gaan we er kijken.

Zo beleef je toch elke keer weer wat.

Doordeweekse zondag

Mocht ik ooit nog een nieuwe carriere in iets ambieren, zou het zomaar het beroep van autoverkoper kunnen zijn. Vandaag in Bodega Bay voor de tweede maal iemand rondgeleid in onze camper, alle voors en alle tegens besproken en de koop gaat door. Althans, de rondgeleide is onverminderd enthousiast over de camper die hij heeft gehuurd, toevallig ook een Coachman Freelander 21-voeter. Wellicht had ik hem nog even moeten inlichten dat de 21 voet in de praktijk wordt gezien als 23. Geen halszaak, maar wel een issue mocht betrokkene ooit nog naar Sequoia willen wensen te gaan.

Zondag. Dat betekent uitslapen en de klok van kwart over negen ’s morgens werd zonder moeite gehaald. Niet gek na een paar hectische dagen en we boeken deze dag dan ook in als ‘kalm aan’.

Bij het inchecken – iets wat gisteren vanwege de late aankomst nog niet was geregeld – kan ik twee prangende vragen stellen. De eerste is wat die kiestoon is die we zo’n zes keer per minuut horen en de tweede is waar de muziek vandaan komt die om 10.30 uur van start ging.

Het antwoord op de eerste vraag had ik zelf al gegokt en dat bleek juist: een misthoorn. Dat is niet zo raar aan deze kant van San Francisco, want gisteren zagen we al dat het misttechnisch gesproken hier aardig kan spoken. Soms rijd je door een meter mist om dan vervolgens tien meter verderop weer een nieuwe sliert te ontwaren. Mist gaat hier per vierkante meter, dat is wel duidelijk.

De tweede vraag wordt beantwoord met het positieve advies vooral even de Farmer’s market naast de camping te bezoeken, daar komt namelijk de muziek vandaan.

Dus wij erheen. Er is zelfs een pad direct van de camping naar het terrein van de markt. Heel druk is het er niet, en dat geldt zowel voor de bezoekers als de participanten. Wat te krijgen is, is wat je kunt verwachten: kaas, vlees, eieren, groente, handgemaakte deegrollers, pantoffels, honing. Dat soort dingen.

Nee, druk is het niet, al is het wel een komen en gaan van auto’s, dus enige vaart zit er wel in. Dat zou in de muziek ook niet misstaan.

Wat ook per vierkante meter gaat, is onze bus. We wonen nu al vier weken in een rijdende studio van 21 meter in het kwadraat. Best krapjes, maar prima uit te houden. Die 7 meter lengte en 3 meter breedte hebben echter ook zo hun nadelen; aan de kust heb je smalle, bochtige wegen met de meest onmogelijke in- en uitritten. Ergens even een broodje eten, doe je niet zomaar. De bus moet wel parkeerbaar zijn.

Wanneer we op pad gaan, naar de kust, is er zo’n confrontatie. Eerst moet ik een U-bocht maken dwars door een aantal dikke gaten. Vervolgens moet ik de 3 meter breedte zien te parkeren tussen twee auto’s op een normale plek. Het is zo’n parkeerplaats waar geen strepen staan, dus iedereen parkeert keurig zo strak als nodig. Als er dan per ongeluk iemand met een rijdende studio langskomt, moet die dus maar zien hoe het vehikel past. Het past.

Net.

We gaan naar de kust en zien geen walvissen. Wel mensen die in afwachting zijn van de walvissen. Camera’s, verrekijkers, klapstoelen, koelboxen. Alles compleet. Wellicht hadden ze even het bord moeten lezen, want de zwemkolossen komen pas in november. Twee maandjes dus nog.

Wij afdalen naar het strand, want Mariella wil pootje baden. Jammer voor haar, maar juist op dat moment besluit een golf met iets meer enthousiasme zich op de kust te werpen, haar daarmee natspetterend. Geen nood, droogt wel weer. Bovendien hebben we onze studio bij ons, dus een verschoning is sowieso geen probleem.

Iets verderop zit een jong meisje bij een vogel. Die is volgens haar ziek en wordt zo opgehaald. Kordate dame. Die komt er wel. Hopelijk gaat ze nooit in de autobranche of de communicatie werken.

Wij hebben inmiddels knorrende magen en dat betekent: oesters en fish en chips. Zolang als we een de kust zitten, wordt er dagelijks vis geluncht. En dat lukt hier meer dan prima. Tot op heden staat Bodega Bay op 1, San Francisco op 2 en Monterey op 3.

Lijstjes en overzichten. We naderen het einde van het jaar. Kan niet wachten tot de Top2000 weer begint. Wij naderen ook het einde van iets, al is er nog een week te gaan waarin we nog voldoende avonturen kunnen beleven en zullen beleven. Er staat nog een wijnroute in Sanoma en Napa op het program en de kers op de taart zal een aantal dagen San Francisco zijn. We hebben al even kunnen snuffelen en gaan eind van de week daar onze bus inleveren.

Maar zoals gezegd, eerste dingen eerst: morgen naar de wijn. Dat wordt spugen; ze zijn hier namelijk nogal streng met alcohol en verkeer. En terecht. De studio moet wel in een stuk ingeleverd gaan worden.

Proost.

Lunchen in de stad

De afspraak stond al een week of anderhalf, op zaterdag 9 september met Wouter in San Francisco. Hij is er voor werk, wij voor plezier. We zien een mogelijkheid dit te combineren.

Voordat het zover is, zitten we nog in onze kamer in Half Moon Bay, een mijl of 40 van Frisco af. De avond duurt wat langer dan normaal, omdat we tv hebben en we eerst nog eens willen weten hoe het ervoor staat met de diverse orkanen – die hier net zover vandaan zijn als dat Nederland dat is – om vervolgens een aloude klassieker te kijken: A few good men, met Tom Cruise en Jack Nicholson. Topfilm die thuis weliswaar in de kast staat en hier nu voor de 12e keer wordt bekeken, maar dat is nog niet genoeg. Thuis weer.

We staan tegen negenen op en ontbijten wat in het hotel. Matige keuze, slappe koffie, veel zoet. Beetje standaard Amerikaans ontbijt. Het zwembad dat achter het hotel ligt en dat we vanuit het onbijt kunnen zien, laten we ondanks het voornemen, links liggen. Te koud. Het is geen Moab, het is geen Bakersfield, het is Half Moon Bay en dat betekent, miezer, kou en laaghangende bewolking.

Op naar San Francisco met de de 8,5 voet brede bus. We hebben afgesproken in de Presidio, wat ik me van 1994 nog herinner als een wijk waar je redelijk gemakkelijk je auto kwijt kunt. Bovendien kunnen we er komen zonder dwars door de stad heen te hoeven toeren, want dat is met de grootvoeter geen genoegen.

Toch gaat het redelijk soepel. We raken maar een keer de weg kwijt en daar keren nu mijn nieuwe hobby is, gooi ik de auto gewoon op een straat om, om vervolgens weer terug te keren naar de goede route.

Nee, het rijden is niet het probleem. Het probleem is het elkaar vinden. Ergens langs de kust, bij de Presidio. Probeer het eens bij het oude fort onder de Golden Gate. Prima idee, maar dan moet je er met de bus wel kunnen komen. Een slagboom gooit roet.

Dan weer gebeld, blijkt dat de een beneden aan het water staat en de ander de bovenroute heeft genomen. Maar... na 15 minuten heen en weer lopen en heen en weer bellen, ziet Wouter een Coachman Freelander staan die anderhalve parkeerplek inneemt. Dat moeten wij zijn.

Wij zijn het en onze rendez-vous is gelukt. Nu nog zien dat we een betere parkeerplek vinden, waar ook nog eens een 23-voeter past (lengte). Die vinden we en niets staat een lunch in de weg. Nou ja, niets. We staan nog wel op de Presidio, en dat is een plek waar eetgelegenheden nog moeten worden ontwikkeld.

Naar de Fisherman’s wharf dan maar. Met de bus. Punt is wel dat we geen idee hebben waar welke bus gaat. Althans, Wouter is met een bus gekomen, maar waar de bus terug gaat?

We lopen wat en vinden een getal op een lantaarnpaal (30). Dat schijnt een bushalte te zijn. Of er een bus komt en wanneer is een kwestie van afwachten. Het feit dat er draden boven de weg hangen ten teken van trolley, vinden we dan weer wel geruststellend. Maar voorlopig komt er niks. Niet binnen tien minuten, maar ook niet na een kwartier.

Om nu te voorkomen dat we hier over een week nog staan – Wouters vliegtuig gaat morgen en wij willen voor donker een kampeerplek hebben – vragen we aan twee locals of ze local zijn en of ze weten hoe dat zit met een bus. Op beide vragen krijgen we een positief antwoord. En ze pakken beiden hun mobiel om de route en de tijden te checken.

We staan aan het einde van een cirkel en zouden eigenlijk drie blokjes moeten lopen, dan een blok naar links gaan en daar de bus nemen. De 30.

Wanneer we bij de betreffende halte staan, zien we de twee locals weer, maar nu in hun auto en ze staan voor het verkeerslicht. Vrolijk zwaaien we naar ze en goedkeurend zwaaien ze terug: we staan op de juiste plek.

Nog geen vijf minuten later zitten we voor 2,75 per persoon in de bus naar de werf, waar het een drukte van belang is. San Francisco heeft net als Amsterdam te maken met een overpopulariteit van de stad en een te grote aantrekkingskracht op toeristen – waar wij overigens ook toe behoren.

Dat wreekt zich vooral op de werf, waar het druk is en vol en waar matige tentjes vechten om aandacht en de mogelijkheid waren te venten. Wij willen even goed en lekker eten en zien een krabrestaurant dat er acceptabel uitziet. Onderwijl worden we nog bijna plat gereden door een echte PPC-tram, een klassiek en museabel exemplaar. Lijkt een beetje op de oude Haagse trams (zie Instagram) en dat klopt, ze zijn van dezelfde soort. We zien er twee, eentje met oorsprong Detroit en eentje met oorsprong Mexico City. Prachtige exemplaren waar we het ritje mee bewaren tot volgende week, als we hier weer terug zijn.

De keuze voor het restaurant, is behoorlijk accuraat geweest. Topvoer, al is niet alles in de vishoek weg te zetten: we nemen oesters (Mariella) en mortadella en gedroogde ham (Wouter en ik) en mosselen en garnalen (Mariella) en fish en chips (wij).

Eten goed, kout goed, maar dan is het plots vier uur ’s middags en moeten we foetsie, terug in een taxi naar de bus. Goede keuze dat we niet met de bus hierheen zijn gegaan, want de drukte is enorm en de taxi komt er maar met moeite door. Ook al omdat hij niet begrijpt waar we heen willen en wij ook een beetje zijn vergeten hoe het heet.

Uiteindelijk schiet mij het Museum of fine arts te binnen, alwaar we op de 30 zijn gestapt. Daar om de hoek is onze bus geparkeerd en hopelijk staat hij daar nog. 20 dollar later kan ik me inderdaad verkneukelen aan het feit dat de bus er in ongeschonden staat staat. Nu stonden we tegenover twee bussen die er waarschijnlijk al een seizoen of 8 a 12 staan in soortgelijke conditie, dus we hadden de indruk dat het wel goed zat. Het zat goed.

Vervolgens de Golden Gatebrug over, waar ik een eenmalige overtocht in tolgelden heb afgekocht via het internet – dat werkt dan weer wel – en we zien de brug in volle mist. Aan de overkant wordt het nog spannender, want daar giert de mist over de heuveltoppen op zo’n manier, dat het wel een rookkanon lijkt bij een popconcert.

De wind teistert mijn bus en de breedte wreekt zich nu zo dat niemand me nog durft in te halen. Als windvanger gaat mijn bus keurig niet strak rechtdoor, maar slingert over de rijbaan. Gaat goed.

Wat minder goed gaat, is het vinden van een camping. De afstanden zijn nu ook weer groot en wanneer we op de door ons begeerde plek aankomen, blijkt het vol. Die ochtend hadden we nog gekeken op internet en wilden we online boeken, maar dat werkte dus weer eens niet. Als Europeaan kun je hier op geen enkele manier zaken doen. Websites zijn erop ingericht, maar puntje bij paaltje weigeren ze dienst.

Dan maar doorrijden en kijken wat het oplevert. Pure mazzel heet dan Bodega Bay RV Park.

Alleen jammer dat we geen hond hebben. Iedereen hier heeft een hond en onze camper staat op de route van de hele camping naar het uitlaatveldje even verderop. We hebben nu alle gasten al twee keer gezien en gegroet. Een keer bij naar het veldje en een keer terug.

We hebben er een dagtaak aan.